Dagelijkse overweging 24 – 12 – 2008
Woensdag 24 december 2008
Eerste lezing: 2 Samuel 7,1-5.8b-12.14a.16 [I 49]
Evangelie: Lucas 1,67-79 [I 50]

Inleiding 

Vandaag vieren we de vigilie van Kerstmis en morgen ís het Kerstmis. Dan vieren we de geboorte van de Heer, die niet alleen tweeduizend jaar geleden plaatsvond, maar ook nu nog. We worden niet teruggeplaatst in de tijd, maar wij beleven door de heilige Geest dat de begrenzingen van tijd en ruimte worden weggenomen, waardoor wij binnen in het geheim van onze Heer Jezus Christus komen te staan. Ruimte en tijd zijn verdwenen, wij zijn weer in het Heilig Land, we zijn in de tijd van toen. Het enige verschil is dat wij er nu bij zijn. Dat wat toen daar gebeurde, mag ook nu aan ons gaan gebeuren.
Belijden wij dan eerst onze schuld, onze behoefte, onze nood aan redding, om deze heilige Geheimen goed te kunnen vieren. God zal zijn volk redden uit hun zonden!

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die dagen werd Zacharias, de vader van Johannes,
vervuld met de heilige Geest en sprak in profetische woorden:
“Geprezen zij de Heer, Israëls God:
want genadig zag Hij neer en verloste zijn volk.
Hij heeft ons een reddende kracht verwekt
in het huis van David, zijn dienaar,
zoals Hij van oudsher voorzegd heeft
bij monde van zijn heilige profeten;
tot redding uit de macht onzer vijanden
en uit de hand van al die ons haten.
Zo was Hij aan onze vaderen barmhartig
en indachtig zijn heilig verbond:
de eed die Hij onze vader Abraham zwoer:
ons te geven, Hem zonder vrees te dienen
bevrijd uit de macht van de vijand,
rechtvaardig en heilig voor zijn aanschijn, al onze dagen.
En gij, kind,
profeet van de Allerhoogste zult ge worden genoemd,
want voorafgaan zult gij aan de Heer
en gij zult zijn wegen bereiden
en zijn volk de redding doen kennen:
de vergiffenis van hun zonden
dank zij de milde erbarming van onze God,
waarmee Hij op ons neerzag
gelijk de opgaande zon aan de hemel,
en waarmee Hij verscheen aan hen die in het duister
en de schaduw des doods zijn gezeten,
om onze voeten te richten op de weg van de vrede.”

Homilie 

In de eerste lezing zien we koning David op het toppunt van zijn macht. Al zijn vijanden zijn verslagen, het land eindelijk in rust en vrede. Nu rest alleen nog de kroon op het werk: een tempel voor de Heer. Hij zei tot de profeet Natan: Moet u eens zien, "zelf woon ik in een paleis van cederhout en de ark van God staat onder tentdoek"! Ik ga een tempel bouwen voor de Heer.

Wat koning David wil en zegt, lijkt wel op wat mensen in onze samenleving willen en zeggen. Wij hebben onze gestelde doelen bereikt, wij hebben de verworvenheden torenhoog opgestapeld en nu willen we ook nog een mooi kerstfeest. Iets geestelijks, iets van de vrede van het hart. Na al dat rennen en draven, inspanning en inzet, willen we terug naar binnen, een pauze inlassen in het rusteloze zoeken en streven naar meer en meer. Nu nog onze ziel redden.

Maar het échte kerstfeest kun je niet zelf maken. Zoals ook de profeet Natan van Godswege aan koning David moest zeggen: Die tempel kun je niet zelf bouwen, dat doe Ik. Trouwens, wij kunnen niets uit onszelf. Ook al de voorbereidingen die je in de goede geest hebt gedaan, was ook niet het werk van jezelf. Ook dat enorme werk, die gigantische onderneming van David als koning: het tot vrede brengen van zijn land, heeft hij niet aan zichzelf of aan zijn mensen te danken, ondanks dat hij er zich met heel zijn persoon voor ingezet heeft. Dat het hem gelukt is, komt omdat hem dat alles werd gegeven.
Mensen die niet geloven zeggen: ‘Hij heeft gewoon geluk gehad, het lot was hem gunstig, hij is geboren onder een gelukkig gesternte.’ Nee, zegt God hem door de profeet: "Ik heb u uit de steppe gehaald, achter de schapen vandaan, om vorst te zijn over mijn volk. Op al uw tochten heb Ik u bijgestaan, al uw vijanden vernietigd, uw naam heb Ik groot gemaakt als die van de groten der aarde. Ik heb mijn volk Israël een gebied gegeven en het daar geplant om er te wonen. … Ik heb gezorgd dat al uw vijanden u met rust laten."

Blijkbaar moest hem dat allemaal in herinnering worden gebracht. Was het koning David misschien niet allemaal een beetje naar het hoofd gestegen, omringd als hij werd door vleiers, die toch ook een beetje wilden zonnen in het licht van zijn glorie en altijd maar applaudisseerden bij de successen die hij behaalde. Onder zijn gloeiende, vrome ijver van: ik ga een tempel bouwen voor de Heer, stak ook een zekere zelfgenoegzaamheid. Hij had zich het werk van de genade toegeëigend: ik, ík heb dat gedaan, het is van mij. En daarom zegt God: "De Heer kondigt u aan dat Hij voor ú een huis zal huis oprichten,” niet een tempel, maar waar het de koning om te doen was: een nazaat en wel voor altijd. Ik zal uw koninklijk huis een altijddurende bestendigheid geven. “Zo zal uw huis en uw koninklijke macht altijd stand houden; uw troon staat vast voor eeuwig.” Dat is dan ook precies wat de engel Gabriël aan Maria voorspelde: “Hij zal koning zijn over het huis van Jakob voor eeuwig" (Lc 1,33).

Dat Kind dat ons met Kerstmis geschonken wordt, is iets blijvends in ons hart. Kerstsfeer, kerstelementen komen en gaan, die  worden weer opgeruimd, maar de geboorte van de Heer is toch waar het ons om te doen is. In Hem worden we zelf een nieuw kind van God,  doordat Jezus opnieuw wordt geboren in ons hart, in ieder van ons persoonlijk. Dat kunnen wij niet zelf doen, we kunnen onszelf niet redden. Redden is een gebeuren waarin je helemaal afhankelijk bent van je Redder. Het enige dat je kunt doen, is: verlangen, wachten, uitzien, je er voor openstellen, en tot slot je hand uitsteken naar de Hand die naar jóu wordt uitgestoken.
"Hij heeft voor u een reddende kracht verwekt in het huis van David, zijn dienaar, tot redding uit de macht van onze vijanden en uit de hand van al die ons haten." En daarbij moeten wij denken aan onze innerlijke vijanden, onze zelfzucht, de macht van koning ‘ik’, die geweldige kracht die ons steeds weer van God aftrekt. Hij zal zijn volk zijn barmhartigheid doen kennen. U zult het aan den lijve meemaken betekent dat het écht in u zal gebeuren, maar niet door wat wij doen, maar door wat Hij doet met onze medewerking. (Pater J.Bots S.J.)

24 December 2008
By on 07:50
Brood voor onder weg 24 – 12 – 08

Overdenking van 24 december 2008

Licht in de duisternis

Wij gaan voort "door dalen van duisternis en dood" en toch zijn we voor geen onheil bang omdat God naast ons gaat. De stok en de staf van God geven ons nieuwe moed (zie Psalm 23, 4). Dat is niet zomaar een troostende gedachte, het is een betrouwbare innerlijke ervaring. Ons leven is vol leed, pijn, desillusies, verlies en verdriet, maar het kent ook momenten waarop we de Mensenzoon hebben zien komen "zoals de bliksem vanuit het oosten komt en tot in het westen zichtbaar is" (Matteüs 24, 27). Er zijn momenten waarop we helder zien, duidelijk horen en diep ervaren dat God meegaat op onze tocht. Door die ervaring worden we mensen die als licht schijnen in de duisternis. Jezus zegt: "Jullie zijn het licht van de wereld … Laat zo jullie licht schijnen voor de mensen, opdat ze jullie goede werken zien en jullie Vader in de hemel verheerlijken" (Matteüs 5, 14-16). (Henri Nouwen pr.)

Gods licht zal over ons opgaan en verschijnen aan allen die leven in duisternis en verkeren in de schaduw van de dood, zodat we onze voeten kunnen zetten op de weg van de vrede.
Lc 1:67-79

Als iedere nacht in ons leven een kerstnacht zou kunnen zijn, een nacht die van binnenuit verlicht wordt…

Uit het boek:
Vrede in je hart
Frère Roger van Taizé


By on 07:49
Brood voor onder weg 23 – 12 – 08

Overdenking van 23 december 2008

Een ervaring voor iedereen

Er zijn mensen die zeggen: "Zo’n moment van vervulling heb ik nooit gehad. Ik ben maar een doodgewoon iemand, mystiek is niks voor mij". Sommige mensen hebben op een unieke manier Gods aanwezigheid ervaren en moeten daarom ook op hun eigen wijze getuigen van Gods aanwezigheid in de wereld. Maar ons allemaal, of we wel of niet doorgeleerd hebben, rijk of arm zijn, aan de weg timmeren of in stilte leven, aan ieder van ons kan de genade overkomen dat we God zien in een ogenblik van vervulling. Zo’n mystieke ervaring is echt niet voorbehouden aan een paar uitzonderlijke mensen. Al Gods kinderen krijgen dat geschenk op een of andere manier. Maar we moeten er wel voor open staan. We moeten ons erop toeleggen en innerlijk erop gespitst zijn. Het moment van vervulling overkomt sommigen op overdonderende manier, zoals de apostel Paulus toen hij op weg naar Damascus tegen de grond viel (zie Handelingen 9, 3-4). Maar anderen overkomt het als een zacht geluid of als een briesje in de rug (zie 1 Koningen 19, 13). God houdt van ieder van ons en wil dat wij dat allemaal op persoonlijke wijze weten.(Henri Nouwen pr.)

Paulus schreef aan Titus: Wij hopen op het eeuwige leven dat God, onze redder, vóór alle tijden heeft beloofd. Hij heeft zijn woord door de verkondiging bekendgemaakt.
Tit 1:1-4

In ons diepste zelf ligt een oproep tot innerlijke vrijheid. Hierin zit poëzie verscholen. Zij is blij met niets: met het geruis van de wind in de bomen, met de lichtschakeringen in de lucht, met de gezelligheid van een eenvoudige maaltijd, met de nabijheid van dierbare verwanten, met kinderen…

Uit het boek:
Vrede in je hart
Frère Roger van Taizé

23 December 2008
By on 06:45
Dagelijkse overweging 22 – 12 – 2008
Maandag 22 december 2008
Eerste lezing: 1 Samuël 1,24-28 [I 45]
Evangelie: Lucas 1,46-56 [I 46]

Inleiding 

‘Houdt moed, hebt geen vrees, hier is uw God.’ Hoe hebben de mensen zich dat eigenlijk voorgesteld, dat God er aankomt als was Hij een mens die je kunt zien aankomen? Want bij de Joden was het toch een geloofszekerheid dat niemand God kan zien, en als iemand God toch gezien had, dan moest hij sterven. Dat is nog steeds ons eigen geloof: de mens moet eerst sterven om God te kunnen zien.
Maar hier gaat het blijkbaar toch samen: het in leven blijven van de mensen en het zien van God, die komt. Het was voor hen niet echt duidelijk hoe dat zou gaan, zoals het voor ons eigenlijk ook niet duidelijk is, en alleen maar mogelijk is in de ontledigde gestalte van het Kerstkind. In dát Kind zien wij God en blijven wij in leven. Maar daarvoor moeten wij dan wel afstand doen van onze pretenties, verlangens, aanspraken, afstand doen van onze eisen, dat wij zo graag een grote God zouden zien, die ons van onze miseries afhelpt. Daaraan moeten wij sterven, maar dan zullen wij Hem ook écht zien, dan zullen wij echt in het Kerstkind God zien.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

Bij haar bezoek aan Elisabet sprak Maria:
“Mijn hart prijst hoog de Heer,
Van vreugde juicht mijn geest
om God mijn redder;
daar Hij welwillend neerzag op de kleinheid zijner dienstmaagd.
En zie, van heden af prijst elk geslacht mij zalig
omdat Hij die machtig is aan mij zijn wonderwerken deed,
en heilig is zijn Naam.
Barmhartig is Hij van geslacht tot geslacht
voor hen die Hem vrezen.
Hij toont de kracht van zijn arm;
slaat trotsen van hart uiteen.
Heersers ontneemt Hij hun troon,
maar Hij verheft de geringen.
Die hongeren overlaadt Hij met gaven,
en rijken zendt Hij heen met lege handen.
Zijn dienaar Israël heeft Hij zich aangetrokken,
gedachtig zijn barmhartigheid voor eeuwig
jegens Abraham en zijn geslacht,
gelijk Hij had gezegd tot onze Vaderen.”
Nadat Maria ongeveer drie maanden bij haar gebleven was,
keerde zij naar huis terug.

Homilie   

“Mijn hart prijst hoog de Heer, van vreugde juicht mijn geest om God mijn redder." Een uitbarsting van jubelende vreugde bij Maria, en in de tussenzang wordt het danklied van Hanna geciteerd: "De Heer doet mijn hart van vreugde slaan." Het is de vreugde die over iemand komt, wanneer hij gebeden heeft en verkregen naar Gods wil. Een vreugde die alles heeft gekost, die over iemand komt als hij zichzelf heeft overwonnen, als hij iets heeft losgelaten, waarnaar hij met hart en ziel verlangde.

Nu kan het zijn dat men ook wel eens iets krijgt wat men zelf wil, waarbij men zijn eigen wil nog niet heeft losgelaten, dat men gebeden heeft zonder overgave aan Gods wil, niet gebeden heeft naar zijn wil. Maar als men dat dan krijgt, dan komt men ten opzichte van wat men gekregen heeft in een soort kramphouding te staan. Ik heb het gekregen, maar je mag het mij niet meer afpakken. Dat werpt een schaduw over de vreugde om wat men gekregen heeft. Loslaten moet men toch eenmaal. En eigenlijk is men dan ook niet dankbaar. Men heeft het geëist: het is míjn wil, ík wil dat hebben. Men was eigenlijk meer gefixeerd op wat men zo graag wil hebben, dan op de Persoon van wíe men iets zou willen ontvangen. Denkt u maar aan de menselijke verhoudingen. Als iemand iets krijgt, zomaar, gratis en voor niets, onverwacht, als een verrassing, dan is hij daar veel blijer mee dan wanneer hij het eerst had gevraagd. Je zou kunnen zeggen: je kunt in het geven en in het krijgen zaakgericht zijn, betrokken op de zaak, maar je kunt ook persoonsgericht zijn. In de omgang met God hebben de mensen heel dikwijls de neiging om God voor hun eigen karretje te spannen.

Nemen wij het voorbeeld van Hanna. Er staat geschreven: "God had haar schoot gesloten.” Ze was onvruchtbaar en kreeg geen kinderen, “God had haar schoot gesloten." Ze zat er mee en zou het graag anders willen, maar beleefde toch in overgave aan God dat het niet zo was. Ook haar man, Elkana, beleefde het zo, want wanneer Elkana zijn offer opdroeg in Silo om zich neer te buigen voor de Heer van de hemelse legerscharen, gaf hij aan zijn vrouw Peninna en haar zonen en dochters ieder een deel, maar aan Hanna gaf hij nog een extra deel, want Hanna was zijn lievelingsvrouw, hoewel "de Heer haar schoot gesloten hield.” En wanneer Hanna schreide omdat Peninna haar krenkte omdat “de Heer haar schoot gesloten hield”, vroeg Elkana: “Hanna, waarom schrei je? Waarom eet je niet en ben je zo bedroefd? Ben ik voor jou niet meer waard dan tien zonen?" (1Sam 1,8). Hij hield dus niet van haar als de moeder van kinderen, maar hij hield van haar om wie zij was, als deze persoon.

Zo hield God van haar en zo hield Hanna ook van God. Ze smeekte Hem een kind af, niet als iets voor zichzelf, of om bijvoorbeeld met dat kind haar mededingster in het huwelijk met Elkana te kunnen aftroeven, maar als een teken van Gods persoonlijke genegenheid voor haar. Zo smeekte zij ook: "Heer, als Gij omziet naar de ellende van uw dienares en mij indachtig wilt zijn, als Gij uw dienares niet vergeet en haar een zoon schenkt, dan zal ik hem voor zijn gehele leven aan de Heer afstaan" (1Sam 1,11). Ze vroeg dus niet een kind om de ‘heb’, of om ervan te genieten, of als een trotse moeder van kinderen, maar zij beleefde het ontvangen van een kind als een teken van Gods persoonlijke welwillendheid voor haar. Daarin bleef zij klein. Ze beschouwde een kind als teken van Gods persoonlijke welwillendheid voor haar in al haar kleinheid.

Toen zij dan ook werkelijk een zoon had gekregen, gaf zij hem de naam Samuël, hetgeen betekent: ik heb hem van de Heer afgesmeekt. Zij had dus veel meer gekregen dan alleen maar een kind, zij had gekregen wat Maria had gekregen, die God dankte "omdat Hij had neergezien op de kleinheid van zijn dienstmaagd." Dát had Hanna gekregen: de welwillendheid van God in haar kleinheid en daarvan was Samuël een teken. Die welwillendheid van God was verbonden aan haar kleinheid, aan haar onvruchtbaarheid, aan haar gebrek en aan haar smadelijke toestand, precies zoals dat was met de genegenheid van Elkana voor haar: Hanna, je bent mij méér lief dan tien zonen. Daarom kon zij ook zeggen wat wij zo-even hoorden in de eerste lezing: "Om deze jongen heb ik gebeden en de Heer heeft mij gegeven wat ik van Hem heb afgesmeekt. Daarom sta ik hem aan de Heer af. Zolang hij leeft blijft hij aan de Heer afgestaan."

Zoals het Hanna verging, zo verging het ook Maria, want Maria had de gave van het moederschap van de Verlosser al losgelaten nog voor zij het had gekregen. Van het voorrecht van elk joods meisje, om de moeder te kunnen worden van de Messias, daarvan had zij afstand gedaan. "Hoe zal dit geschieden daar ik geen man beken?" (Lc 1,34). En het eerste wat Maria deed, was haar kind opdragen aan God. Dat vieren wij op twee februari. Vader en moeder, Jozef en Maria, stonden hun eersteling af aan de Heer, en zo zou het heel haar leven blijven. Steeds weer nam Jezus haar het moederschap af en zij liet het zich afnemen, allereerst al door achter te blijven in de tempel en te zeggen: "Wat hebt ge toch naar Mij gezocht? Wist ge dan niet dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn?" (Lc 2,49).

Jezus bedoelde hiermee te zeggen: Jullie zijn mijn vader en moeder niet. God is de enige van wie Ik ben. Op de bruiloft van Kana zegt Jezus, als Maria Hem zegt dat er geen wijn meer is: "Vrouw, is dat soms uw zaak? (Joh 2,4). Jezus breekt de relatie af tussen moeder en kind. En als een vrouw uit het volk zegt: “Zalig de schoot die U gedragen heeft en de borsten die U hebben gevoed”, dan relativeert Jezus dat met: “Veeleer zalig die naar het Woord van God luisteren en het onderhouden” (Lc 11,27.28). Steeds weer dat vernederen, of beter gezegd: zijn moeder haar werkelijke plaats aanwijzen. Haar er op wijzen dat het geen natuurlijk moederschap is, maar een moederschap in de heilige Geest, een geestelijk moederschap dat groeit in de vernedering. “Wie zich vernedert zal verheven worden" (Mt 23,12). Geen zelfverheffing, geen eigen wil.

Zo is Maria de moeder van God geworden en zo is zij het gebleven. Dat maakt de reden uit van haar jubelende vreugde. Dat was de vreugde van Hanna, dat was de vreugde van de psalmist van psalm 119, dat was de vreugde van de heiligen, vol jubel om het doen van de wil van God. Als je Gods wil stelt boven je eigen wil, dan word je daar heel blij van. Als je iets doet om God en om God alleen, geeft dat een grote vreugde.(Pater J.Bots S.J.)

22 December 2008
By on 07:29
“Maria dankte de Heer”

"Maria dankte de Heer"

      Het Magnificat – als het ware een portret van Maria’s ziel – is helemaal geweven uit draden van de heilige Schrift, uit draden van Gods Woord. Zo wordt zichtbaar dat zij in het Woord van God thuis is, daar in en uit gaat. Zij spreekt en denkt in Gods Woord; het Woord van God wordt haar woord, en haar woord komt voort uit Gods Woord. Zo wordt ook zichtbaar dat haar gedachten een meedenken zijn met Gods gedachten, dat haar willen een meewillen is met de wil van God. Omdat zij ten diepste doordrongen was van Gods Woord, kon zij moeder worden van het vleesgeworden Woord.

      Tenslotte: Maria is iemand die liefheeft. Had dat anders kunnen zijn? Als gelovende en in geloof met Gods gedachten meedenkende en met Gods Wil meewillende, kan zij alleen maar iemand zijn die liefheeft. Wij vermoeden het aan de stille gebaren waarover ons de kindsheidverhalen uit het evangelie vertellen. We zien het aan de discretie waarmee zij in Kana de nood van de bruiloftsgasten opmerkt en bij Jezus brengt. We zien het aan de deemoed waarmee zij de terugwijzing aanneemt tijdens het openbaar leven – in de wetenschap dat haar Zoon nu een nieuw gezin moet stichten en dat het uur van de moeder pas weer zal aanbreken op het moment van het kruis, dat het ware uur van Jezus is. Dan, als de leerlingen zijn gevlucht, zal zij het zijn die onder het kruis staat; en later, wanneer het uur van Pinksteren is aangebroken, zullen de leerlingen zich om haar scharen, in afwachting van de heilige Geest (Hand 1,14). (Paus Benediktus XVI ) 
Encycliek "Deus caritas est", § 41 (vert. Vert.: Past. Chr. van Buijtenen, pr.. © copyright Libreria Editrice Vaticana)


By on 07:28
Brood voor onder weg 22 – 12 – 08
ma. 22 december
Mozes sprak tot het volk: De geboden die ik u vandaag heb gegeven, zijn niet te zwaar voor u en liggen niet buiten uw bereik. Nee, die geboden zijn heel dichtbij, u kunt ze in u opnemen en ze u eigen maken; u kunt ze volbrengen.
Dt 30:11-14

Heilige Geest, wanneer wij onze lasten en beproevingen aan u voorleggen, dan laat u reeds een innerlijke vrede in onze ziel bezinken.

Uit het boek:
Vrede in je hart
Frère Roger van Taizé

By on 07:26
Dagelijkse overweging 21 – 12 – 2008
Vierde zondag van de Advent,
                 jaar B
Eerste lezing: 2 Samuel 7,1-5.8b-11.16 [B 10]; antwoordpsalm: Psalm 89,2-3.4-5.27.29 [B 10]
Tweede lezing: Romeinen 16,25-27 [B 11]; vers voor het evangelie: Lucas 1,38 [B 12]
Evangelie: Lucas 1,26-38 [B 12]


Inleiding 

‘Rorate, caeli, desuper, et nubes pluant iustum.’ ‘Dauwt hemelen uit den hoge; wolken, laat als regen de Gerechte neerdalen.’ Het heil komt uit de hemel. Maar dan vervolgt het lied: ‘Aarde, open u om de Verlosser voort te brengen.’ Komt de Verlosser nu uit de hemel of uit de aarde? Komt Hij nu van boven of van beneden? Komt Hij nu in heerlijkheid of in zwakheid? Hij is beiden. Hij is God-Mens. De alleroudste belijdenis van het geloof formuleert het zoals we die vinden in de brief van Paulus aan de Romeinen: "Het is de boodschap over Gods Zoon, die naar het vlees is geboren uit het geslacht van David, en die naar de heilige Geest is aangewezen als Zoon van God door Gods machtige daad, door zijn opstanding uit de doden, Jezus Christus onze Heer" (Rom 1,3.4). Zondags vieren wij de opstanding uit de doden van Hem die in zwakheid als mens is geboren.
We zijn gewoon om de zondagse eucharistieviering te beginnen met een kleine verrijzenis, de verrijzenis van ons zwakke mensen, waarvan de onderdompeling in het waterbad een teken is. Daarin worden wij verenigd met Jezus’ doopsel in het water van de Jordaan én in zijn lijdensdoopsel, om samen met Hem door de macht van zijn Vader te worden opgewekt. De opwekking uit de dood was voor de Kerk het teken dat Jezus Zoon van God is. En zo zijn wij, die ten dode waren gedoemd, in het doopsel kinderen van God geworden, begiftigd met het goddelijk leven, met het eeuwig leven in onze ziel.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

Toen Elisabet zes maanden zwanger was
werd de engel Gabriël van Godswege gezonden
naar een stad in Galilea, Nazaret,
tot een maagd die verloofd was met een man die Jozef heette,
uit het huis van David;
de naam van de maagd was Maria.
Hij trad bij haar binnen en sprak:
“Verheug u, de Heer is met u.”
Zij schrok van dat woord
en vroeg zich af wat die groet toch wel kon betekenen.
Maar de engel zei tot haar:
“Vrees niet Maria, want gij hebt genade gevonden bij God..
Zie, gij zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen
en gij moet Hem de naam Jezus geven.
Hij zal groot zijn en Zoon van de Allerhoogste genoemd worden.
God de Heer zal Hem de troon van zijn vader David schenken
en Hij zal in eeuwigheid koning zijn over het huis van Jakob
en aan zijn koningschap zal nooit een einde komen.”
Maria echter sprak tot de engel:
“Hoe zal dit geschieden daar ik geen man beken?”
Hierop gaf de engel haar ten antwoord:
“De heilige Geest zal over u komen
en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen;
daarom ook zal wat ter wereld wordt gebracht heilig genoemd worden,
Zoon van God.
Weet dat zelfs Elisabet, uw bloedverwante,
in haar ouderdom een zoon heeft ontvangen en,
ofschoon zij onvruchtbaar heette,
is zij nu in haar zesde maand;
want voor God is niets onmogelijk.
Nu zei Maria:
“Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord.”
En de engel ging van haar heen.

Homilie   

Vandaag is het de laatste zondag van de Advent en in de lezingen van die vier Adventszondagen worden wij steeds dichter bij het geheim gebracht. De tweede en derde zondag was Johannes de Doper in beeld, maar deze doet alle moeite om zelf uit het beeld te verdwijnen en de aandacht voor hem om te buigen naar Degene van wie hij de voorloper is, precies zoals het een voorloper betaamt. Niet ik, niet mijn doopsel, maar Hij, zijn doopsel. En waarom? Omdat zijn doopsel een doopsel is van de heilige Geest. "Ik heb u gedoopt met water, maar Hij zal u dopen met heilige Geest" (Mc 1,8). Zijn doopsel heeft goddelijke kracht en maakt de mensen tot kinderen van God, zoals we zelf aan het begin van deze viering ook hebben beleden en gevierd.

Vorige zondag sprak Johannes tot de afgezanten uit de kring van de Farizeeën: "Ik doop met water, maar onder u staat Hij die gij niet kent, Hij die na mij komt; ik ben niet waardig de riem van zijn sandalen los te maken" (Joh 1,26.27). De aandacht van Johannes wordt gericht op het doopsel van Degene die komen gaat, een doopsel met goddelijke uitwerking. Maar zijn aandacht gaat ook uit naar de Persoon die dat andere doopsel ten uitvoer brengt, naar die andere Doper waar hij de voorloper van is. Die Doper is zelf God. Ik ben niet waardig mij te bukken en "de riem van zijn sandalen los te maken", en dat is wat op deze vierde zondag van de Advent de inhoud vormt van de verkondiging: Hij is kind van de mensen als Zoon van David en Hij is kind van God, Zoon van God.

Zijn ontvangenis wordt dan ook aangekondigd door een hemelse boodschap: "Toen Elisabet zes maanden zwanger was werd de engel Gabriël van Godswege gezonden." Er moet een engel aan te pas komen om de boodschap te brengen, want God is zelf zo hoog, zo ver, wonend in het ontoegankelijk licht, dat Hij onmogelijk zelf kan komen. Als Hij zelf zou komen, zou dat het einde zijn van de mens. Niemand kan God zien, hij zou sterven. Om de mens te sparen en toch heel dicht bij de mensen te komen, zendt Hij zijn engel. Wie is als God? Die spreekt als God! Een ambassadeur spreekt als de koning of als de president van het land dat hij vertegenwoordigt. Maar wat treft de engel daar aan? "Een maagd die verloofd was met een man die Jozef heette, uit het Huis van David." Zo luidt dan ook onze geloofsbelijdenis: de boodschap over Gods Zoon, die naar het vlees is geboren uit het geslacht van David (Rom 1,3). Dát is zijn menselijke identiteit.

David is een koning van wie in de eerste lezing verhaald wordt, dat hij uit de steppe gehaald werd, achter de schapen vandaan. Hij is weliswaar succesvol geweest, maar kon eigenlijk niets zonder de kracht van God. Hij is een mens en hij mag al zijn successen toeschrijven aan God. Hij is een zondig mens. Is niet het Miserere, Psalm 51, van hem, waarin hij belijdt dat hij een mensenkind is, zondig vanaf de geboorte, vanaf de ontvangenis, reeds in de moederschoot, met de kiemen van de dood in zijn lichaam, met de kiemen van de dood in zijn ziel.

Nu komt de engel dus bij Maria. Maar hoe anders is deze vrouw dan de andere mensenkinderen. Hoe anders dan Zacharias. Neem alleen al het binnenkomen. Bij Zacharias heette het: een verschijning. "Er verscheen hem een engel des Heren, staande aan de rechterkant van het wierookaltaar. Toen Zacharias hem zag, ontstelde hij en werd door vrees bevangen" (Lc 1,11.12). Niets van dit alles is het geval bij dít mensenkind. "De engel trad bij haar binnen en sprak: Verheug u, Begenadigde, de Heer is met u." Het is zo’n gewoon tafereel, zo gewoon, als was er geen verschil tussen de hemel van God waar de engel vandaan kwam en die hij in heel zijn gestalte schitterend vertegenwoordigde, én het huis, maar vooral het hart van Maria. Zij was helemaal op God gericht, helemaal van God vervuld. Een steen kan niet strakker naar de aarde vallen dan het hart van Maria gericht is op de hemel, op God. Zij is vol van God, vol van genade.

Dat was het wat Maria van haar stuk bracht. Altijd was zij helemaal op God gericht, haar hart was op het hemelse  gericht, op de Bron, en dan draait de engel ineens het perspectief om: "De Heer is met u." Hij, van wie zij vervuld was, richt nu zijn aandacht, zijn liefde, op haar. Daarvan is ze overstuur, de richting kwijt, ontsteld. "Ze schrok van dat woord.” En daarom zegt de engel dan ook: “Vrees niet, Maria, ge hebt genade gevonden bij God."

Genade wordt altijd gegeven om een opdracht te kunnen vervullen. "Zie, gij zult zwanger worden en een Zoon ter wereld brengen.” … “God de Heer zal Hem de troon van zijn vader David schenken." Dat is de Beloofde, de Messias, uit het geslacht van David; naar het vlees geboren, kind van de mensen uit het geslacht van David. Toen sprak Maria: "Hoe zal dit geschieden daar ik geen man beken?" Dat is geen tegenwerping, maar een vraag die voortkwam uit een andere genade die zij van God had ontvangen: de genade van de maagdelijkheid, waarvoor zij had gekozen uit kracht van de genade. Maria deed niets zonder God. Dat zij er van afzag om de moeder van de Messias te worden, was haar ingegeven door God. En nu vraagt zij zich af en stelt die vraag ook aan de engel: hoe zou God nu deze genade, de genade van de maagdelijkheid, verenigen met die andere genade die u mij nu aankondigt: de genade van het moederschap?

Het antwoord op deze vraag is: de heilige Geest. Het kind wordt niet uit mannelijke kracht, maar "de heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen." Zoals de wolk geladen met Gods aanwezigheid boven de tent van samenkomst, boven het Tabernakel en boven het volk van God hing, zo trekt nu die wolk van Gods aanwezigheid samen op de spits van het nieuwe volk Gods: Maria. Het is een goddelijke geladenheid, een vervuld zijn van God zelf. De engel voegt er dan ook aan toe: "Daarom ook zal wat ter wereld wordt gebracht – uit u geboren wordt – heilig genoemd worden, Zoon van God." Dat is Jezus’ tweede identiteit: Zoon van God, uit de heilige Geest geboren. Daarom heeft ook zijn doopsel kracht van de heilige Geest, en is ook de uitwerking van het doopsel goddelijk: wij worden kinderen van God. God en mens worden met elkaar verenigd.

Kerstmis is een familiefeest, een feest van geborgenheid, van intimiteit. Niet zoals de mensen dat plegen te denken en te vieren, een geborgenheid van mensen onder elkaar, een onderonsje, maar een groter ‘wij’, het ‘wij’ van God en de mensen. Hij zal heten Immanuël, God-met-ons. Ons onderling samenzijn wordt niet verbroken, maar wordt open gemaakt in een God-menselijk samenzijn.
Dat is ons heilig geloof, dat elke keer als wij dat geloof in het Credo belijden, nog eens opnieuw wordt uitgezegd. (Pater J.Bots S.J.)

20 December 2008
By on 23:40
Maria, vrouw van geloof, hoop en liefde

Maria, vrouw van geloof, hoop en liefde

      Heiligen zijn ware dragers van het licht in de geschiedenis, omdat het mannen en vrouwen zijn van geloof, hoop en liefde. Onder de heiligen munt Maria uit, de Moeder van de Heer, spiegel van alle heiligheid. In het Lucasevangelie zien we haar in een liefdedienst aan haar nicht Elisabeth, bij wie zij "ongeveer drie maanden" blijft (Lc. 1, 56) om haar bij te staan in de laatste fase van haar zwangerschap. "Magnificat anima mea Dominum", zegt ze bij dit bezoek – "Mijn ziel prijst hoog de Heer" (Lc. 1, 46).

      Zij drukt daarmee het hele programma van haar leven uit: niet zelf in het middelpunt gaan staan, maar ruimte maken voor God, die zij zowel in het gebed als in de dienst aan de naaste ontmoet – dan alleen wordt de wereld goed. Maria is groot omdat zij niet zichzelf maar God groot wil laten zijn. Zij is deemoedig: zij wil niets anders zijn dan dienstmaagd van de Heer (Lc 1,38.48). Zij weet dat ze alleen tot het heil van de wereld kan bijdragen wanneer zij niet haar eigen werk wil volbrengen, maar zich helemaal beschikbaar maakt voor het werken van God. Zij is iemand die vervuld is van hoop: enkel omdat zij in de beloften van God gelooft en uitziet naar het heil van Israël, kan de engel tot haar komen en haar roepen tot de beslissende dienst aan deze beloften. Zij is iemand die gelooft: "Zalig zijt gij, omdat gij geloofd hebt", zegt Elisabeth tegen haar.(Paus BenediktusXVI  )
"Encycliek « Deus caritas est", § 41 (vert. Vert.: Past. Chr. van Buijtenen, pr.. © copyright Libreria Editrice Vaticana)


By on 23:40
Brood voor onder weg 21 – 12 – 08

Overdenking van 21 december 2008

Anderen laten delen in onze Godservaring

Een moment van vervulling, waarin God zo echt en tastbaar nabij is dat we nauwelijks kunnen geloven dat niet iedereen dat óók ziet, – zo’n moment mogen we meemaken om ons gebedsleven en onze dienstbaarheid aan anderen te verdiepen en te versterken. Als we God in een moment van volheid hebben ervaren, blijven we levenslang uitzien naar hereniging met God en willen we anderen vertellen over de God die we ontmoet hebben. Jaren na Jezus’ dood zegt Petrus dat zijn ervaring op de berg Thabor aan de oorsprong staat van wat hij nu getuigt: "Toen wij u de macht en de komst van onze Heer Jezus Christus verkondigden, beriepen wij ons niet op vernuftig bedachte mythen, maar wij spraken als ooggetuigen van zijn glorie … toen wij met Hem op de heilige berg verbleven" (2 Petrus 1, 16-18). Als wij God mogen zien op bijzondere momenten van ons leven, is dat ook bedoeld om anderen daarin te laten delen. (Henri Nouwen pr.)

De engel zei tegen Maria: Wees niet bang, Maria, God heeft je zijn gunst geschonken. Luister, je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet hem Jezus noemen.
Lc 1:26-38

Er zijn mensen die in verwarring raken als zij de indruk hebben dat God zwijgt, alsof zijn aanwezigheid afhankelijk zou zijn van wat men voelt. Maar de gemeenschap met God blijft evenzeer van kracht ook als deze niet meer zo resoneert in ons hart.

Uit het boek:
Vrede in je hart
Frère Roger van Taizé


By on 23:36
Dagelijkse overweging 20 – 12 – 2008
Zaterdag 20 december 2008
Eerste lezing: Jesaja 7,10-14 [I 41]
Evangelie: Lucas 1,26-38 [I 42]


Inleiding

Vandaag wordt ons in de eerste lezing als voorspelling voorgehouden: "Zie de maagd zal ontvangen en een zoon ter wereld brengen en zij zal Hem noemen: Immanuël, God-met-ons." De Kerk mag zich dit als geheel aantrekken, maar ook ieder van ons persoonlijk. Dat we ons hart openen, om die volkomen toewijding aan God te ontvangen, die nodig is om Kerstmis te laten gebeuren in ons hart. Dat wij een zoon ter wereld brengen, niet op de wijze van Maria, maar dat wij meer worden als Jezus en Hem in de wereld meer gestalte geven.
Belijden wij dan eerst onze schuld, dat wij nog zo aan onszelf zijn toegewijd, aan de mensen en de dingen van deze wereld en nog zo weinig aan Hem.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

Toen Elisabet zes maanden zwanger was
werd de engel Gabriël van Godswege gezonden
naar een stad in Galilea, Nazaret,
tot een maagd die verloofd was met een man die Jozef heette,
uit het huis van David;
de naam van de maagd was Maria.
Hij trad bij haar binnen en sprak:
“Verheug u, Begenadigde, de Heer is met u.”
Zij schrok van dat woord
en vroeg zich af wat die groet toch wel kon betekenen.
Maar de engel zei tot haar:
“Vrees niet Maria, want gij hebt genade gevonden bij God.
Zie, gij zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen
en gij moet Hem de naam Jezus geven.
Hij zal groot zijn
en Zoon van de Allerhoogste genoemd worden.
God de Heer zal Hem de troon van zijn vader David schenken
en Hij zal in eeuwigheid koning zijn over het huis van Jakob
en aan zijn koningschap zal nooit een einde komen.”
Maria echter sprak tot de engel:
“Hoe zal dit geschieden daar ik geen man beken?”
Hierop gaf de engel haar ten antwoord:
“De heilige Geest zal over u komen
en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen;
daarom ook zal wat ter wereld wordt gebracht
heilig genoemd worden, Zoon van God.
Weet dat zelfs Elisabet, uw bloedverwante,
in haar ouderdom een zoon heeft ontvangen
en, ofschoon zij onvruchtbaar heette,
is zij in haar zesde maand;
want voor God is niets onmogelijk.”
Nu zei Maria:
“Zie de dienstmaagd des Heren;
mij geschiede naar uw woord.”
En de engel ging van haar heen.

Homilie   

In het evangelie hebben we gehoord hoe er een ontmoeting plaatsvindt tussen hemel en aarde, tussen God en mens. Een ontmoeting tussen een vertegenwoordiger van God: de engel Gabriël, van Godswege gezonden en een vertegenwoordiger van de aarde: Maria. Zij vertegenwoordigt heel het mensdom en dus vertegenwoordigt zij ook ons.

Maar wat gebeurt er nu in zo’n ontmoeting? Wat wordt er gezegd, en wat wordt er niet gezegd? Wat gebeurt er wanneer wij in gebed zijn, in een inwendig, persoonlijk gebed? Wat ons hier in het evangelie wordt voorgehouden, is eigenlijk zoveel als een gebedservaring, een Godservaring, een Godsontmoeting. In dit gebeuren van de Blijde Boodschap van de engel aan Maria is de engel aan het woord, hij spreekt en Maria zwijgt, of beter gezegd: Maria luistert. Eén keer, aan het begin, vertoont ze iets van een reactie, maar niet door iets te zeggen. Die reactie was op het woord van de engel: "Verheug u, Begenadigde, de Heer is met u." Dat roept niet een zekere ongerustheid, maar een zekere verbazing, verwondering in haar op. De engel stelt haar echter gerust en effent zodoende het pad naar haar hart, waar hij met die boodschap wil terecht komen.

In het hart wil de engel bij Maria binnengaan, en in het gebed wil God met zijn Woord in ons hart binnengaan, want God wil niet alleen ons verstand verlichten, ons iets doen begrijpen, een waarheid aan het licht brengen, Hij wil ook en bovenal met zijn Woord ons hart raken, Hij wil ons zijn heilige Geest meedelen, zijn liefde. God wil ons niet alleen een leer of een inzicht geven, maar de waarheid zelf, de waarheid in eigen Persoon, de goedheid in eigen Persoon. Daar hoort bij, omdat het God zelf is, dat er ontzag wordt opgewekt in ons hart, eerbied, heilige vrees. "Maria schrok van dat woord en vroeg zich af wat die groet toch wel kon betekenen.” Als die vreze Gods er eenmaal is, dan kan God verder gaan, Hij stelt gerust, geeft vrede, en maakt zo het hart ontvankelijk voor vertrouwelijkheid en intimiteit: “Vrees niet Maria, want gij hebt genade gevonden bij God."

God wil bij ons zijn door zijn eigen Zoon. Wat God voelt voor zijn eigen Zoon, dat voelt Hij ook voor ons en dat krijgt gestalte, niet in een daad, bijvoorbeeld de bevrijding uit Egypte, of de terugkeer uit de ballingschap, de opheffing uit de dood, of verlossing van een hongersnood, van een onrecht, van rampen, ziekten, of in de vorm van persoonlijke begenadigingen, vrede, kracht, troost, verlichting, maar dat krijgt gestalte in een Persoon, en niet in de persoon van een profeet, of een koning, maar in de Persoon van de eigen Zoon van God, dé Koningszoon, die genoemd wordt Immanuël, teken van Gods intimiteit, nabijheid: God-met-ons. Hij wordt Mensenzoon, Hij wordt kind van Maria.

Maar hoe zal dat gebeuren? Langs welke weg komt de genade van het gebed ons leven binnen? Langs welke weg kan God opnieuw geboren worden met Kerstmis. Maria vraagt: "Hoe zal dit geschieden daar ik geen man beken?" En wij vragen met haar mee: Hoe zal dat geschieden? Hoe zal er een grotere vertrouwelijkheid ontstaan met God, hoe krijg ik een hart dat méér aan God is toegewijd, dat helemaal ontvankelijk en vrij is voor Hem. Ik, die zo vast zit aan mijzelf, zo door eigenliefde word beheerst, mijzelf van alles heb toegeëigend en dat ook graag zo houden wil. Hoe zal dit geschieden, dat ik, die méér ben van mezelf dan van Hem, méér van Hem word?
De engel geeft aan Maria als antwoord: "De heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen." De heilige Geest, de kracht van de Allerhoogste, niet de kracht van een man, maar van God. Het is geen uitwendige macht, maar een inwendige, zachte kracht. Het is enkel liefde, die alleen op te nemen is in het hart. Het is een zoete, zachte kracht die bezit neemt van het hart.

In het gebed gaat het nog steeds zo met de woorden van God. Deze worden opgenomen in het hart, zoals er van Maria ook staat: "Maria bewaarde al deze woorden - woorden van de engel door de herders overgebracht - in haar hart en overwoog ze bij zichzelf" (Lc 2,19). Als God eenmaal met zijn Geest tot die diepte van ons wezen is doorgedrongen, dat zijn liefde bezit heeft genomen van ons hart, dan geschiedt het woord vanzelf.

Na het antwoord van de engel vernomen te hebben, zei Maria: "Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord." Zie de dienstmaagd des Heren!? Daarmee begon toch heel die ontmoeting? De vreze Gods, heilige vrees, eerbied, respect voor de verhoudingen. En dat wordt uitgedrukt in niet zo maar een gevoel, nee, in dat bén ik, ik bén de dienstmaagd des Heren.
Met "Mij geschiede naar uw woord" schept God zelf het jawoord in Maria’s hart. God zelf neemt bezit van ons hart en van binnenuit, vanuit ons hart, zeggen wij ‘ja’ tot het Woord dat God tot ons gesproken heeft. Wij zijn het Woord van God, doordat dat Woord op ons ‘ja’ vanuit ons hart gezegd, opnieuw vlees aanneemt.

Maar wat is er een stilte nodig om God met zijn Woord tot in die diepte van ons te laten doordringen; wat is er een ingetogenheid nodig, een inkeer, een zelfvergetelheid, dat is niet van deze wereld. Het is wél de genade van de Advent, die stille tijd, als de wereld rondom ons donker wordt en daardoor onze eigen wereld klein. Een tijd die ons niet moet doen vluchten naar knusheid of gezelligheid, of onderlinge menselijke verbondenheid, maar ons moet doen vluchten naar ons hart, naar inkeer. Een tijd waarin wij afdalen in ons hart, in die stille vertrouwelijkheid met Hem, om het verlangen groter en groter te laten worden, zodat wij Hem met Kerstmis echt opnieuw kunnen laten geboren worden. (Pater J.Bots S.J.)


By on 07:38